Rode broek

Het is een bepaald slag, mannen met rode broeken. In het dagelijks leven zijn ze iets hoogs in een saaie branche. Misschien zelfs wel directeur. Ze gedragen zich joviaal, maar hebben er flink de wind onder. Streng doch rechtvaardig. Op hun werk verschijnen ze vrijwel nooit in de rode broek, daar is ie net te casual voor. Op de zaak zijn ze genoodzaakt ‘gewoon’ in een pak te lopen.
De rode broek is meer voor de weekends en vakanties. Het is een echte vrijetijdsbroek. Op zaterdagmorgen staat de man voor de kledingkast en maakt de keuze tussen de donkerblauwe spijkerpantalon en de rode broek. Het wordt meestal de rode broek, want die zit lekker ruim en is van een zachte stof. Overhemd in de broek, donkerblauwe V-halstrui erover, klaar.
Echt rood is hij overigens niet, de broek. Het is meer bruinrood, baksteenrood. Echt rood zou écht een stapje te wild zijn. Met de baksteenrode broek wil de man duidelijk maken dat hij best lekker gek wil doen, maar daarin nooit te ver zal gaan.
De man met de rode broek is zestig jaar, heeft een groot nieuwbouwhuis, een Mercedes, een blondgemaakte vrouw (zijn eerste nog!) en een boot.
De boot van de man met de rode broek is een zeilboot, maar dat geeft niks. Die mast staat niet in de weg en het is best lollig om zo nu en dan, met ruime wind, het fokje even bij te zetten. Voor de rest vaart het echtpaar lekker op de motor van haven naar haven, waar ze gezellig nautisch uit eten gaan in een visrestaurant – want ze zijn dol op witte wijn. De boot is minimaal elf meter lang en heeft een groot stuurrad (geen helmstok!) waar de man met handschoentjes zonder vingers aan draait. Hij geniet als hij de marifoon mag gebruiken om de sluiswachter te melden dat hij geschut wil worden.
Ze hebben het goed, de blondgemaakte vrouw en de man met de rode broek. Ze maken een praatje op de steiger met een ander stel met net zo’n boot als de hunne, ze drinken een cappuccino op de kade en neuzen nog even in de watersportwinkel, waar ze zich niet kunnen beheersen en van alles kopen. Een slapende namaakpoes van echt poezenbont, borrelglaasjes in een houten rekje, twintig meter onweerstaanbaar gekleurd touw, een paar handige messing haakjes, een nieuwe witte stootwil in een zwart gebreid netje, lederen bootschoentjes voor mevrouw en… voor meneer een nieuwe rode broek!

Zijn lopers saai?

Zijn lopers saai? Ik stelde die vraag op een feestje waar twaalfeneenhalf van de vijftien aanwezige personen lopers waren. Ik stelde die vraag aan de enige twee nietlopers in het gezelschap, de twee bij wie ik me het meest op mijn gemak voelde.
We concludeerden dat lopers inderdaad saai zijn, als we ervan uitgingen dat het feestje een beeld gaf van de gemiddelde loper. Een gezellig en beschaafd feestje, waar vriendelijk en op niveau werd geconverseerd, waar geen luide boeren en seksistische grappen klonken, waar Spa Rood het won van Wijn Rood en waar de dunste draadnagels met elkaar in discussie waren over de beste methodes om af te vallen.
“Ik heb drie pocent”, zei Rolf tegen Koos. “En jij?”
“Bij de laatste meting kwam men uit op achttien procent”, antwoordde Koos. “Maar dat kon niet kloppen, dus ik heb via een andere methode een nieuwe meting laten doen, en toen kwam ik uit op dertien. Achttien procent! Waar zou dat dan moeten zitten?”Hij knabbelde voorzichtig aan een pinda.
“Hm,” peinsde Wiebrand hardop. “In je kont denk ik. Je hebt best dikke billen voor een man.”
Koos verslikte zich bijna in zijn pinda en keek verschrikt achterom naar zijn billen. “Dikke billen?” kraaide hij. “Wat vreselijk. Meen je dat? Ik moet écht een goed schema gaan volgen om gewicht kwijt te raken.” Hij schonk zichzelf nog een spaatje in en keek bedrukt voor zich uit.
Daar kwam Rens aangelopen, de gastheer van de avond. Hij voegde zich bij de draadnagels.
“Jij bent anders ook best vet”, beet Koos hem toe. Rens haalde onverschillig zijn schouders op, grijnsde en nam een toastje met brie. Het smaakte hem prima en de anderen keken kwijlend toe.
Brigitte, een Kate Bush-achtig meisje en overduidelijk een hardloopster, was intussen aangeschoven bij het sta-tafeltje waar ik met de nietloopsectie hing. “Er staat nog steeds “beginnend loopster” boven jouw column. Hoe kan het nou dat je al bijna anderhalf jaar beginnend loopster bent?” vroeg ze aan mij, terwijl ze minachtend haar neus optrok.
Ik moest het antwoord schuldig blijven en omdat ik bleef zwijgen, ging ze snel weer weg.
Ik keek de kamer rond. Veel knappe mensen, met mooie lijven. Intelligente, aardige, sportieve en verstandige mensen. Als de aarde bevolkt zou zijn met louter lopers, lagen wereldvrede en een gezond klimaat binnen bereik. Wat een paradijs zou het hier dan zijn! (Maar wel een heel klein beetje saai, misschien.)

Potentiële sexpartnerscan

Soms vraag ik me af of het iets is waar ik me voor zou moeten schamen. Of het een afwijking is waar alleen ik aan lijd, of dat meer mensen hiermee kampen. De afwijking om overal, in elk gezelschap waar ik terechtkom, te scannen met wie ik het eventueel wel zou willen doen.
Bij het reclamebureau waar ik sinds enige tijd parttime als copywriter aan de slag ben, werken 50 personen. Daarvan vallen er 23 af omdat ze vrouw zijn. Van de 27 mannelijke collega’s zijn er een stuk of wat (veel) te dik, een stuk of wat (veel) te klein en een stuk of wat (veel) te jong. Er blijven er maar een paar over met wie ik het wel zou willen doen. Afhankelijk van mijn  stemming zijn dat er vier of zes. Die vijfde en zesde zijn fysiek niet mijn type, maar ik kan wel erg met ze lachen en dat is ook wat waard. Als ik eenmaal voor mezelf heb bepaald met wie ik wel en met wie ik niet, heb ik rust en leg ik me erbij neer dat ik het met deze vier of zes om verschillende redenen nooit zal doen.
Deze potentiële sexpartnerscan doe ik overal. Zelfs bij gelegenheden die daarvoor zeer ongepast zijn, zoals hypotheekbesprekingen en begrafenissen. Ik heb wel eens snotterend naar een dominee zitten luisteren die een aangrijpende grafrede sprak, terwijl ik me op een ander (lager) niveau afvroeg of er achter dat christelijke voorkomen misschien toch ook een geil beest school.
Omdat ik een vrouw ben, word ik ook beziggehouden door de vraag of ik bij een potentiële sexpartnerscan door een man wel bij de uitverkorenen hoor. Ik verplaats me in die man en kijk zogenaamd door zijn sexbeluste ogen het gezelschap langs. Heel vaak vind ik mezelf dan te oud, te lang of te plat in vergelijking met de rest. En al is de man in kwestie nog zo lekker en zou ik in principe best eens met hem tussen de lakens willen kruipen, als ik eenmaal geconstateerd heb dat ik waarschijnlijk niet op zijn lijstje zou staan, ben ik bij voorbaat afstandelijk tegen hem. ‘Dus jij moet mij niet? Nou, dan hoef ik jou ook niet, arrogante kwal!’
Terwijl die meneer misschien alleen maar een verkooppraatje kwam houden over een Cup-a-Soupautomaat. Ja ja, soep met ballen.