Voorspel

Eigenlijk ben ik de enige hier in huis die het een goed idee vindt dat ik motorrijles ga nemen. Mijn zoon (12) is er onverschillig onder maar mijn vriend is er ronduit op tegen. ‘Veel te gevaarlijk, je lijkt wel gek’, zegt hij als ik er weer eens over begin. Hij heeft een poosje in het ziekenhuis gewerkt en daar de gevolgen van motorongelukken van dichtbij gezien.
Mijn reactie is onveranderlijk: ‘Ik ben wel voorzichtig, ik koop een goed pak, het is hier niet zo druk op de weg, het kan best, het lijkt me leuk, ik wil het gewoon. Bovendien is duiken ook gevaarlijk.’ (Eén van mijn hobby’s is wrakduiken op de Noordzee. Koud, nat, onherbergzaam en risicovol.)
‘Precies. Je beoefent al een gevaarlijke sport. Waarom ga je niet lekker zingen in een vrouwenkoor of kantklossen of pottenbakken of desnoods biljarten of zo? Gewoon iets gezelligs, zonder kans op ongelukken.’
Ik mompel dan wat flauwe antwoorden in de trant van ‘op een vrouwenkoor zitten geen mannen en dan raak ik van de wijs’, ‘bij kantklossen ben ik meteen de draad kwijt’, ‘ik heb de kleifase op de kleuterschool al afgerond’ en ‘ik lust geen bier dus biljarten slaat dan nergens op’.
Toch zet zijn vraag me wel aan het denken. Waarom doe ik de dingen die ik doe? Als ik mijn leven tot nu toe overzie heb ik de neiging me vooral bezig te houden met activiteiten die koud, nat, zwaar of oncomfortabel zijn.
In plaats van roeien in een skiff kies ik voor roeien in een zware sloep, op zee. In plaats van een dwarsfluit heb ik een contrabas aangeschaft. In plaats van te duiken tussen de tropische vissen in een rood bikini’tje, hijs ik mij in een zwaar droogpak en spring in de duistere Noordzee. In plaats van op zondagmiddag een eindje te gaan kuieren, train ik voor de halve marathon. En hoewel ik een comfortabele Peugeot 406 bezit, wil ik, nu de zomer op zijn eind loopt, beginnen met motorrijden. Waarom toch, en waarom nú opeens?
Om met dat laatste te beginnen: het zal de midlifecrisis wel zijn. Het staartje. Volgende week word ik 45 en dat vind ik nogal oud. Ik weiger het ook te accepteren, ik zit nog in de onkenningsfase. Daarom ben ik als een dolle bezig zoveel mogelijk domme dingen te doen, nu het nog kan. Dingen als jonge mannen verleiden, waterskiën, bergbeklimmen en… motorrijden.
Motorrijden, een langgekoesterde wens die jarenlang gesluimerd heeft en nu vervuld moet gaan worden. Want ik ben eraan toe.
Het laatste zetje was een dagje toeren achterop bij een kennis. Ik ben principieel tegen achterop zitten, maar aangezien ik geen rijbewijs had mocht ik van hem niet voorop.
Het was een prachtige dag, de Moto Guzzi vibreerde prettig onder mijn billen en het was ook geen straf om tegen de man voor me aan te zitten. Toch verveelde ik me al snel en werd het knagende gevoel steeds sterker: Zélf Rijden! Zélf voelen wat de motor doet als je gas geeft, hoe hij trekt in de bochten. Achteloos de hand opsteken naar tegenliggers, collegarijders. Weten hoe het is, het besturen van zo’n machine.
Daarom volgende week vrijdag, op mijn 45e verjaardag, de eerste les.
Geen idee wat me te wachten staat, ik heb me er nog niet in verdiept. Ik zal vast niet meteen de eerste keer al in een strak leren pak en met wapperende haren onder mijn helm vandaan de snelweg op mogen. Misschien mag ik in de eerste versnelling een rondje over een verlaten industrieterrein. Misschien mag ik een pionnetje proberen te ontwijken. Hoe dan ook, ik heb nog een week om te genieten van de voorpret. En om het mijn vriend te vertellen.