Goeie film

Ga anders vanavond mee een eindje zeilen op mijn skûtsje, mailde iemand die ik alleen maar vaag van een internetforum kende. Je moet wel gek zijn om in je eentje bij een onbekende man aan boord te stappen, dus ik zei ja. Hij legde uit waar ik zijn schip kon vinden en een paar uur later zat ik op de motor richting Sintherejezuslutjebaerdsteradeelgaryp of zoiets. Een plek in Friesland dus. Aan het Snekermeer. In een slechte film zou het skûtsje een half wrak zijn geweest en de schipper een maniakale verkrachter, maar ik bleek in een goede film beland te zijn. Ze zagen er oogverblindend uit, allebei. En ook verder zat alles mee, inclusief de wind. Een zwoele temperatuur, de avondzon die alles in een gouden gloed zette en geen enkele andere boot op het water, want het was songfestival of voetbal; in ieder geval was er iets op tv.
In mijn herinnering – ooit mocht ik mee met een wedstrijd op het SKS-skûtjse van Grou – is skûtsjesile hard werken. Aanpezen, doorbuffelen, zweten, zwoegen, sjorren, trekken, draaien, vloeken, hangen, plat liggen, trappen op dat zwaard, geen seconde rust. Maar deze keer ging alles vanzelf; alle tijd voor een glaasje wijn en een goed kennismakingsgesprek.
‘Laten we even aanleggen bij dat eilandje daar’, zei Jelle. (Want natuurlijk heet in een goede clichéfilm zo’n Fries dan ook Jelle.)
‘Prima’, zei ik en ik begon de stootwillen op te hangen en de voorlandvast op te schieten. Alsof we al dertig jaar getrouwd waren in plaats van elkaar een uur eerder voor het eerst de hand geschud te hebben.
Aan het eilandje lag nog een bootje. Een motorboot met een echtpaar dat waarschijnlijk wél al dertig jaar samen was. Alsof ze ingehuurd waren als figuranten in onze film en hadden zitten wachten op het Teken, voltrok zich een bizarre scene. De man, die met een hengeltje op de achterkajuit zat, gaf plotseling een luide schreeuw, want hij had flink beet. Hij kwam overeind om te kijken wat er aan zijn haakje hing, maakte een vreemde beweging of gleed uit en donderde overboord. Zomaar. De vrouw zag het gebeuren en zette het op een krijsen. Ze greep de pikhaak en begon driftig richting de man te prikken, die sputterend bovenkwam en de haak maar net kon ontwijken. Met veel gevloek hees hij zich omhoog bij de zwemtrap. Eenmaal weer aan boord pakte hij zijn hengel en haalde op. Er zat een heel klein visje aan. Het was zoals ik al zei een bijzondere avond.

Rode broek

Het is een bepaald slag, mannen met rode broeken. In het dagelijks leven zijn ze iets hoogs in een saaie branche. Misschien zelfs wel directeur. Ze gedragen zich joviaal, maar hebben er flink de wind onder. Streng doch rechtvaardig. Op hun werk verschijnen ze vrijwel nooit in de rode broek, daar is ie net te casual voor. Op de zaak zijn ze genoodzaakt ‘gewoon’ in een pak te lopen.
De rode broek is meer voor de weekends en vakanties. Het is een echte vrijetijdsbroek. Op zaterdagmorgen staat de man voor de kledingkast en maakt de keuze tussen de donkerblauwe spijkerpantalon en de rode broek. Het wordt meestal de rode broek, want die zit lekker ruim en is van een zachte stof. Overhemd in de broek, donkerblauwe V-halstrui erover, klaar.
Echt rood is hij overigens niet, de broek. Het is meer bruinrood, baksteenrood. Echt rood zou écht een stapje te wild zijn. Met de baksteenrode broek wil de man duidelijk maken dat hij best lekker gek wil doen, maar daarin nooit te ver zal gaan.
De man met de rode broek is zestig jaar, heeft een groot nieuwbouwhuis, een Mercedes, een blondgemaakte vrouw (zijn eerste nog!) en een boot.
De boot van de man met de rode broek is een zeilboot, maar dat geeft niks. Die mast staat niet in de weg en het is best lollig om zo nu en dan, met ruime wind, het fokje even bij te zetten. Voor de rest vaart het echtpaar lekker op de motor van haven naar haven, waar ze gezellig nautisch uit eten gaan in een visrestaurant – want ze zijn dol op witte wijn. De boot is minimaal elf meter lang en heeft een groot stuurrad (geen helmstok!) waar de man met handschoentjes zonder vingers aan draait. Hij geniet als hij de marifoon mag gebruiken om de sluiswachter te melden dat hij geschut wil worden.
Ze hebben het goed, de blondgemaakte vrouw en de man met de rode broek. Ze maken een praatje op de steiger met een ander stel met net zo’n boot als de hunne, ze drinken een cappuccino op de kade en neuzen nog even in de watersportwinkel, waar ze zich niet kunnen beheersen en van alles kopen. Een slapende namaakpoes van echt poezenbont, borrelglaasjes in een houten rekje, twintig meter onweerstaanbaar gekleurd touw, een paar handige messing haakjes, een nieuwe witte stootwil in een zwart gebreid netje, lederen bootschoentjes voor mevrouw en… voor meneer een nieuwe rode broek!