Goeie film

Ga anders vanavond mee een eindje zeilen op mijn skûtsje, mailde iemand die ik alleen maar vaag van een internetforum kende. Je moet wel gek zijn om in je eentje bij een onbekende man aan boord te stappen, dus ik zei ja. Hij legde uit waar ik zijn schip kon vinden en een paar uur later zat ik op de motor richting Sintherejezuslutjebaerdsteradeelgaryp of zoiets. Een plek in Friesland dus. Aan het Snekermeer. In een slechte film zou het skûtsje een half wrak zijn geweest en de schipper een maniakale verkrachter, maar ik bleek in een goede film beland te zijn. Ze zagen er oogverblindend uit, allebei. En ook verder zat alles mee, inclusief de wind. Een zwoele temperatuur, de avondzon die alles in een gouden gloed zette en geen enkele andere boot op het water, want het was songfestival of voetbal; in ieder geval was er iets op tv.
In mijn herinnering – ooit mocht ik mee met een wedstrijd op het SKS-skûtjse van Grou – is skûtsjesile hard werken. Aanpezen, doorbuffelen, zweten, zwoegen, sjorren, trekken, draaien, vloeken, hangen, plat liggen, trappen op dat zwaard, geen seconde rust. Maar deze keer ging alles vanzelf; alle tijd voor een glaasje wijn en een goed kennismakingsgesprek.
‘Laten we even aanleggen bij dat eilandje daar’, zei Jelle. (Want natuurlijk heet in een goede clichéfilm zo’n Fries dan ook Jelle.)
‘Prima’, zei ik en ik begon de stootwillen op te hangen en de voorlandvast op te schieten. Alsof we al dertig jaar getrouwd waren in plaats van elkaar een uur eerder voor het eerst de hand geschud te hebben.
Aan het eilandje lag nog een bootje. Een motorboot met een echtpaar dat waarschijnlijk wél al dertig jaar samen was. Alsof ze ingehuurd waren als figuranten in onze film en hadden zitten wachten op het Teken, voltrok zich een bizarre scene. De man, die met een hengeltje op de achterkajuit zat, gaf plotseling een luide schreeuw, want hij had flink beet. Hij kwam overeind om te kijken wat er aan zijn haakje hing, maakte een vreemde beweging of gleed uit en donderde overboord. Zomaar. De vrouw zag het gebeuren en zette het op een krijsen. Ze greep de pikhaak en begon driftig richting de man te prikken, die sputterend bovenkwam en de haak maar net kon ontwijken. Met veel gevloek hees hij zich omhoog bij de zwemtrap. Eenmaal weer aan boord pakte hij zijn hengel en haalde op. Er zat een heel klein visje aan. Het was zoals ik al zei een bijzondere avond.

Maak de volgende slagzin af. Terschelling…

De Stichting Marketing en Promotie Terschelling roept ons allen (het ‘publiek’) op om na te denken over een slogan of motto voor Terschelling. In Harlingen is een paar jaar geleden ook zo’n prijsvraag geweest. Daaruit is het motto Harlingen heeft wad voortgekomen.
Uit de ‘briefing’ voor Terschelling, die mij via de nieuwsbrief van de Waddenvereniging bereikte: …Weet u precies hoe Terschelling zich moet profileren en waarmee ze het beste toeristen verleiden om naar het eiland te komen? De beste slogan wordt gebruikt voor de marketing en promotie van het eiland. De inzender wordt beloond met een rondvlucht boven de Wadden met Hessel. Naast cafébaas en zanger is hij ook enthousiast piloot is…
Sterk staaltje kromtaal. Van enkelvoud ‘Terschelling’ naar meervoud ‘ze’ in één zin. En wie zijn ‘ze’ die toeristen moeten verleiden? De Doeksens? De Haantjes? De horecamensjes? En dan Hessel. Hij is ook enthousiast piloot is. Die tweede is is tot daaraan toe, maar meevliegen met een enthousiaste piloot – tevens kroegbaas en zanger – lijkt me eng. ‘Dolenthousiast maakte hij boven de Brandaris looping na looping, uit volle borst Terug naar Terschelling zingend.’
Vroeger werden voor dit soort gewichtige marketing- en promotiezaken dure Amsterdamse reclamebureaus ingeschakeld. Die ontwikkelden dan een strategisch marktbewerkingsplan, bedachten een creatief concept en een pay off (sjiek woord voor slagzin), designden een logo en stuurden een factuur van tienduizenden euro’s. Of, als het wat minder duur maar even goed moest worden, mochten ZZP’ers zoals ik zich vastbijten in de klus. Maar nu moet het dus gratis. Bijna gratis, want de inzender mag met Hessel gaan vliegen.
Als ik er even voor ga zitten, kom ik zo met een briljant plan. Een pay off met een knipoog en een concept waarmee ‘ze’ het beste toeristen verleiden. Maar ik zeg het lekker niet. Ik doe juist mijn uiterste best om NIET na te denken over manieren om van Terschelling een nog sterker merk te maken. Ik heb mijn mond dichtgeplakt met een Terschellinger vlag-sticker, anders gooi ik er zo de ene na de andere briljante slogan uit. En voor ik het weet zit ik dan bij Hessel in het vliegtuigje. Nee, ik kan mijn tijd wel beter besteden. In een duinpan liggen en aan alles behalve de promotie van Terschelling denken. De hond afmatten op het strand. Op de laptop werken voor klanten die wel gewoon betalen. Voor de honderdste keer naar het Wrakkenmuseum en weer nieuwe ouwe dingen zien. Met Sjoukje naar ’t Zwaantje. Rondje hardlopen door het Formerumerbos. Weer een uurtje op de laptop werken voor een klant die gewoon betaalt. Naar de Boekenboer voor nieuw leesvoer. Lekkere dingen halen bij de Jumbo, die voor mij altijd de SuperMier blijft. Boekje lezen in de zon. Weer eens naar het clubhuis van de duikers. Op mijn rug liggen in het gras op de waddendijk en omhoogkijken naar een enthousiast vliegtuigje met de doodsbange inzender aan boord.

echt…

Echt, ik zal de site gaan updaten nu. Even weer uitzoeken hoe ik plaatjes toevoeg en zo. Want wat er staat, klopt niet meer. Reinier en ik zijn geen compagnons geworden (wel vrienden gebleven). Ik ben weggegaan bij VosLibert en nu weer 100% vrij. Nieuwe opdrachtgevers dienden zich aan. En ik deed een paar mooie reportages, onder andere over een motorrit naar de Noordkaap.

2010 > 2011

In: Boeken

Het hele jaar mijn weblog/site niet bijgehouden. Niet best…
Toch leuke dingen gedaan. Zoals het hoofd- en eindredacteurschap van In focus, het personeelsmagazine van Heerema Marine Contractors.

2011 gaat van start met een cursus WordPress. Dat kan geen kwaad.
En met een cursus Engels voor vergevorderden. Zodat ik nog verdergevorderd Engels kan spreken en schrijven.

Natuurlijk ben ik ook gaan twitteren! Volg mij.

Voorspel

Eigenlijk ben ik de enige hier in huis die het een goed idee vindt dat ik motorrijles ga nemen. Mijn zoon (12) is er onverschillig onder maar mijn vriend is er ronduit op tegen. ‘Veel te gevaarlijk, je lijkt wel gek’, zegt hij als ik er weer eens over begin. Hij heeft een poosje in het ziekenhuis gewerkt en daar de gevolgen van motorongelukken van dichtbij gezien.
Mijn reactie is onveranderlijk: ‘Ik ben wel voorzichtig, ik koop een goed pak, het is hier niet zo druk op de weg, het kan best, het lijkt me leuk, ik wil het gewoon. Bovendien is duiken ook gevaarlijk.’ (Eén van mijn hobby’s is wrakduiken op de Noordzee. Koud, nat, onherbergzaam en risicovol.)
‘Precies. Je beoefent al een gevaarlijke sport. Waarom ga je niet lekker zingen in een vrouwenkoor of kantklossen of pottenbakken of desnoods biljarten of zo? Gewoon iets gezelligs, zonder kans op ongelukken.’
Ik mompel dan wat flauwe antwoorden in de trant van ‘op een vrouwenkoor zitten geen mannen en dan raak ik van de wijs’, ‘bij kantklossen ben ik meteen de draad kwijt’, ‘ik heb de kleifase op de kleuterschool al afgerond’ en ‘ik lust geen bier dus biljarten slaat dan nergens op’.
Toch zet zijn vraag me wel aan het denken. Waarom doe ik de dingen die ik doe? Als ik mijn leven tot nu toe overzie heb ik de neiging me vooral bezig te houden met activiteiten die koud, nat, zwaar of oncomfortabel zijn.
In plaats van roeien in een skiff kies ik voor roeien in een zware sloep, op zee. In plaats van een dwarsfluit heb ik een contrabas aangeschaft. In plaats van te duiken tussen de tropische vissen in een rood bikini’tje, hijs ik mij in een zwaar droogpak en spring in de duistere Noordzee. In plaats van op zondagmiddag een eindje te gaan kuieren, train ik voor de halve marathon. En hoewel ik een comfortabele Peugeot 406 bezit, wil ik, nu de zomer op zijn eind loopt, beginnen met motorrijden. Waarom toch, en waarom nú opeens?
Om met dat laatste te beginnen: het zal de midlifecrisis wel zijn. Het staartje. Volgende week word ik 45 en dat vind ik nogal oud. Ik weiger het ook te accepteren, ik zit nog in de onkenningsfase. Daarom ben ik als een dolle bezig zoveel mogelijk domme dingen te doen, nu het nog kan. Dingen als jonge mannen verleiden, waterskiën, bergbeklimmen en… motorrijden.
Motorrijden, een langgekoesterde wens die jarenlang gesluimerd heeft en nu vervuld moet gaan worden. Want ik ben eraan toe.
Het laatste zetje was een dagje toeren achterop bij een kennis. Ik ben principieel tegen achterop zitten, maar aangezien ik geen rijbewijs had mocht ik van hem niet voorop.
Het was een prachtige dag, de Moto Guzzi vibreerde prettig onder mijn billen en het was ook geen straf om tegen de man voor me aan te zitten. Toch verveelde ik me al snel en werd het knagende gevoel steeds sterker: Zélf Rijden! Zélf voelen wat de motor doet als je gas geeft, hoe hij trekt in de bochten. Achteloos de hand opsteken naar tegenliggers, collegarijders. Weten hoe het is, het besturen van zo’n machine.
Daarom volgende week vrijdag, op mijn 45e verjaardag, de eerste les.
Geen idee wat me te wachten staat, ik heb me er nog niet in verdiept. Ik zal vast niet meteen de eerste keer al in een strak leren pak en met wapperende haren onder mijn helm vandaan de snelweg op mogen. Misschien mag ik in de eerste versnelling een rondje over een verlaten industrieterrein. Misschien mag ik een pionnetje proberen te ontwijken. Hoe dan ook, ik heb nog een week om te genieten van de voorpret. En om het mijn vriend te vertellen.

Droogpak

In: Duiken

De voornaamste reden om een droogpak te willen hebben, is Aanzien. Aanzien onder natduikers. Ik durf dat gewoon toe te geven, in tegenstelling tot de meeste andere duikers, die beweren dat het veiliger, comfortabeler, warmer en droger is. Dat is natuurlijk ook allemaal waar, maar aanzien is toch waar het om draait.
Tegen mijn duikvrienden roep ik al jaren dat ik een droogpak wil omdat ik het in mijn twee keer zeven millimeter neopreennatpak standaard teringkoud heb. Wat ook echt zo is en wat ik niet kan verbergen, omdat de donshaartjes op mijn gezicht na een natte duik zo kippevellerig omhoog staan, dat mij de bijnaam “bonobo” ten beurt is gevallen. Of was dat nou om mijn gedrag? Hoe dan ook, koukleumen zijn watjes, watjes moeten een droogpak en een droogpak is dan weer stoer. Vreemd, maar waar.
De beslissing een droogpak aan te schaffen is snel genomen en zelfs het bijelkaarwerken van het benodigde kapitaal valt qua tijdsinvestering in het niet bij het proces van de daadwerkelijke aanschaf. Een queeste. Een uitdaging. Een uitputtingsslag. Een proces vol tegenslagen en teleurstellingen. Dat ik uiteindelijk toch met een droogpak uit de strijd ben gekomen, is helemaal te danken aan mijn vasthoudende karakter.
Eerst organiseerde ik een droogpakavond in het zwembad, voor de hele club. Een bevriende duikwinkel zou diverse soorten pakken ter beschikking stellen in diverse maten, zodat iedereen van alles kon proberen. Het kwam erop neer dat Harry van de duikshop aan kwam zetten met tien extra extra superlarge droogpakken, zodat ik voor het eerst dreigde te verzuipen in het zwembad. Ik balen, Harry balen, want allemaal natte pakken.
Ik besloot een pak op Marktplaats te kopen. Ik had ondertussen besloten voor een trilaminaat droogpak te gaan, want dat hebben ze bij ons allemaal en ik wil er gewoon bijhoren.
Na wat heen en weer gemail met een even lange, even slanke, even zware persoon als ik (maar dan een mannetje) kon het bijna niet anders of zijn pak zou mij perfect passen. De doos met inhoud kwam, en ik kwam erachter dat we een essentieel element vergeten waren te communiceren, namelijk beenlengte. Mijn kruis zat tien centimeter te hoog voor zijn pak. Gauw teruggestuurd.
André Borsch, de beroepsduiker uit mijn woonplaats had nog wel een knap pakje voor me liggen. Neopreen, voor al zijn mannen te klein, kon ik zo ophalen. Pak gehaald, aangepast en mja, zat als gegoten. “Maar André, waar is de aansluiting voor de inflatorslang?”
“Inflatorslang?” vroeg André schamper. Wat moet je daar nou mee. Nergens voor nodig, gebruik ik nooit.” Nee, als je alleen maar aan sluisdeuren zit te prutsen niet nee, maar ik moet naar dertig meter in de Noordzee!
Mijn volgende stap was een bezoek aan Aquadive (???) in Amsterdam. Gewoon een nieuw pak kopen. Ze hadden niks hangen want het was veel te warm voor een droogpak. En nee, ze wilden ook niks vertellen over verschillende typen en achter hing vast ook niks, het was gewoon niet het seizoen voor een droogpak, doehoei!
Daarna volgde een zoektocht langs diverse duikwinkels, waar ik veel mooie pakken paste, die mij niet pasten. Blijkbaar heb ik een buitensporig model lichaam.
Uiteindelijk kwam alles toch goed. Ik toog naar Nijverdal en liet mij een trilaminaat maatpak aanmeten. Een elegant geelzwart pak, want ik heb gemerkt dat Piet van onze club de enige is die je onder water ziet, met zijn gele duikpak. Gaan met die banaan.
Ik heb het pak nu een paar maanden en ik ben er erg gelukkig mee. Ik geniet aanzien onder de “gewone” duikers, ze noemen me nu watje in plaats van bonobo. Ermee duiken is nog niet erg eenvoudig, maar dat is een ander verhaal. Het allermoeilijkste heb ik nu achter de rug. Ik HEB er één!

Onrust

In: Feliz

Wat zou ik graag gewoon een tevreden mens zijn. Blij met wat ik heb want dat is niet gering: een lieve vriend, een geweldige zoon, ontzettend leuk werk, een droomhuis, een boot, nog een boot, een auto, nog een auto, familie, vrienden, een hond, dure hobby’s en een paar talenten. En daarbij ben ik nog gezond en fit ook.
Natuurlijk ben ik een tevreden mens. Ik tel mijn zegeningen en kom tot de conclusie dat ik een geluksvogel ben.
Waarom ben ik dan toch altijd op zoek naar meer, spannender, mooier en flitsender? Ik heb het niet over materiële zaken. Ik wil best een boot minder (zeilboot te koop!), de deux cheveaux is leuk maar mag weg en het huis kan echt wel kleiner. Dat droomhuis is soms ook eigenlijk wel een nachtmerriehuis. Mijn probleem zit er meer in dat ik meer wil meemaken.
Ik zou bijvoorbeeld wel een spannende minnaar willen hebben. Zomaar voor erbij. Eentje die het weer helemaal leuk vindt om te ontdekken hoe grappig en geweldig ik ben en die daar ook niet over uitgepraat/uitgeschreven raakt. Ik heb weer zin in liefdesbrieven en schunnige ansichtkaarten. Maar mijn vriend heeft liever niet dat ik er één bijneem en dat begrijp ik dan ook wel weer. Het is ook een heel gedoe, twee mannen.
Met hobby’s is het net zo. Ik doe aan sportduiken. Heel leuk, visjes kijken. Maar in plaats van daar helemaal van uit mijn dak te gaan, wil ik duiken in de Noordzee, naar wrakken. Omdat dat veel meer spanning en sensatie biedt dan alweer diezelfde snoek in datzelfde zandgat aan zijn vin te trekken. Ik hang dus regelmatig kotsend van de zeeziekte over de reling tijdens een duiktripje op de Noordzee en vraag me vertwijfeld af waarom ik niet gewoon tevreden kan zijn met vissen kijken in een zoetwaterplas.
Verder wil ik een bestseller schrijven, mooier zijn, beter presteren op sportgebied en motor leren rijden.
Het is niet dat ik chronisch ontevreden ben, het is meer dat ik chronisch onrustig ben. Ik heb altijd het gevoel dat het verderop gebeurt en dat ik erbij wil zijn. Dat is bepaald niet zen, wat dat dan ook zijn mag.
Misschien dat ik het kan leren. Dat ik over een jaar tevreden in mijn schommelstoel zit met een vers kopje thee en geniet van de mooie zonsondergang.
(Of dat ik op mijn Harley naar de uitreiking van een belangrijke literatuurprijs rij, met mijn vriend achterop en mijn spannende minnaar in het zijspan.)

Rode broek

Het is een bepaald slag, mannen met rode broeken. In het dagelijks leven zijn ze iets hoogs in een saaie branche. Misschien zelfs wel directeur. Ze gedragen zich joviaal, maar hebben er flink de wind onder. Streng doch rechtvaardig. Op hun werk verschijnen ze vrijwel nooit in de rode broek, daar is ie net te casual voor. Op de zaak zijn ze genoodzaakt ‘gewoon’ in een pak te lopen.
De rode broek is meer voor de weekends en vakanties. Het is een echte vrijetijdsbroek. Op zaterdagmorgen staat de man voor de kledingkast en maakt de keuze tussen de donkerblauwe spijkerpantalon en de rode broek. Het wordt meestal de rode broek, want die zit lekker ruim en is van een zachte stof. Overhemd in de broek, donkerblauwe V-halstrui erover, klaar.
Echt rood is hij overigens niet, de broek. Het is meer bruinrood, baksteenrood. Echt rood zou écht een stapje te wild zijn. Met de baksteenrode broek wil de man duidelijk maken dat hij best lekker gek wil doen, maar daarin nooit te ver zal gaan.
De man met de rode broek is zestig jaar, heeft een groot nieuwbouwhuis, een Mercedes, een blondgemaakte vrouw (zijn eerste nog!) en een boot.
De boot van de man met de rode broek is een zeilboot, maar dat geeft niks. Die mast staat niet in de weg en het is best lollig om zo nu en dan, met ruime wind, het fokje even bij te zetten. Voor de rest vaart het echtpaar lekker op de motor van haven naar haven, waar ze gezellig nautisch uit eten gaan in een visrestaurant – want ze zijn dol op witte wijn. De boot is minimaal elf meter lang en heeft een groot stuurrad (geen helmstok!) waar de man met handschoentjes zonder vingers aan draait. Hij geniet als hij de marifoon mag gebruiken om de sluiswachter te melden dat hij geschut wil worden.
Ze hebben het goed, de blondgemaakte vrouw en de man met de rode broek. Ze maken een praatje op de steiger met een ander stel met net zo’n boot als de hunne, ze drinken een cappuccino op de kade en neuzen nog even in de watersportwinkel, waar ze zich niet kunnen beheersen en van alles kopen. Een slapende namaakpoes van echt poezenbont, borrelglaasjes in een houten rekje, twintig meter onweerstaanbaar gekleurd touw, een paar handige messing haakjes, een nieuwe witte stootwil in een zwart gebreid netje, lederen bootschoentjes voor mevrouw en… voor meneer een nieuwe rode broek!

Zijn lopers saai?

Zijn lopers saai? Ik stelde die vraag op een feestje waar twaalfeneenhalf van de vijftien aanwezige personen lopers waren. Ik stelde die vraag aan de enige twee nietlopers in het gezelschap, de twee bij wie ik me het meest op mijn gemak voelde.
We concludeerden dat lopers inderdaad saai zijn, als we ervan uitgingen dat het feestje een beeld gaf van de gemiddelde loper. Een gezellig en beschaafd feestje, waar vriendelijk en op niveau werd geconverseerd, waar geen luide boeren en seksistische grappen klonken, waar Spa Rood het won van Wijn Rood en waar de dunste draadnagels met elkaar in discussie waren over de beste methodes om af te vallen.
“Ik heb drie pocent”, zei Rolf tegen Koos. “En jij?”
“Bij de laatste meting kwam men uit op achttien procent”, antwoordde Koos. “Maar dat kon niet kloppen, dus ik heb via een andere methode een nieuwe meting laten doen, en toen kwam ik uit op dertien. Achttien procent! Waar zou dat dan moeten zitten?”Hij knabbelde voorzichtig aan een pinda.
“Hm,” peinsde Wiebrand hardop. “In je kont denk ik. Je hebt best dikke billen voor een man.”
Koos verslikte zich bijna in zijn pinda en keek verschrikt achterom naar zijn billen. “Dikke billen?” kraaide hij. “Wat vreselijk. Meen je dat? Ik moet écht een goed schema gaan volgen om gewicht kwijt te raken.” Hij schonk zichzelf nog een spaatje in en keek bedrukt voor zich uit.
Daar kwam Rens aangelopen, de gastheer van de avond. Hij voegde zich bij de draadnagels.
“Jij bent anders ook best vet”, beet Koos hem toe. Rens haalde onverschillig zijn schouders op, grijnsde en nam een toastje met brie. Het smaakte hem prima en de anderen keken kwijlend toe.
Brigitte, een Kate Bush-achtig meisje en overduidelijk een hardloopster, was intussen aangeschoven bij het sta-tafeltje waar ik met de nietloopsectie hing. “Er staat nog steeds “beginnend loopster” boven jouw column. Hoe kan het nou dat je al bijna anderhalf jaar beginnend loopster bent?” vroeg ze aan mij, terwijl ze minachtend haar neus optrok.
Ik moest het antwoord schuldig blijven en omdat ik bleef zwijgen, ging ze snel weer weg.
Ik keek de kamer rond. Veel knappe mensen, met mooie lijven. Intelligente, aardige, sportieve en verstandige mensen. Als de aarde bevolkt zou zijn met louter lopers, lagen wereldvrede en een gezond klimaat binnen bereik. Wat een paradijs zou het hier dan zijn! (Maar wel een heel klein beetje saai, misschien.)

Potentiële sexpartnerscan

Soms vraag ik me af of het iets is waar ik me voor zou moeten schamen. Of het een afwijking is waar alleen ik aan lijd, of dat meer mensen hiermee kampen. De afwijking om overal, in elk gezelschap waar ik terechtkom, te scannen met wie ik het eventueel wel zou willen doen.
Bij het reclamebureau waar ik sinds enige tijd parttime als copywriter aan de slag ben, werken 50 personen. Daarvan vallen er 23 af omdat ze vrouw zijn. Van de 27 mannelijke collega’s zijn er een stuk of wat (veel) te dik, een stuk of wat (veel) te klein en een stuk of wat (veel) te jong. Er blijven er maar een paar over met wie ik het wel zou willen doen. Afhankelijk van mijn  stemming zijn dat er vier of zes. Die vijfde en zesde zijn fysiek niet mijn type, maar ik kan wel erg met ze lachen en dat is ook wat waard. Als ik eenmaal voor mezelf heb bepaald met wie ik wel en met wie ik niet, heb ik rust en leg ik me erbij neer dat ik het met deze vier of zes om verschillende redenen nooit zal doen.
Deze potentiële sexpartnerscan doe ik overal. Zelfs bij gelegenheden die daarvoor zeer ongepast zijn, zoals hypotheekbesprekingen en begrafenissen. Ik heb wel eens snotterend naar een dominee zitten luisteren die een aangrijpende grafrede sprak, terwijl ik me op een ander (lager) niveau afvroeg of er achter dat christelijke voorkomen misschien toch ook een geil beest school.
Omdat ik een vrouw ben, word ik ook beziggehouden door de vraag of ik bij een potentiële sexpartnerscan door een man wel bij de uitverkorenen hoor. Ik verplaats me in die man en kijk zogenaamd door zijn sexbeluste ogen het gezelschap langs. Heel vaak vind ik mezelf dan te oud, te lang of te plat in vergelijking met de rest. En al is de man in kwestie nog zo lekker en zou ik in principe best eens met hem tussen de lakens willen kruipen, als ik eenmaal geconstateerd heb dat ik waarschijnlijk niet op zijn lijstje zou staan, ben ik bij voorbaat afstandelijk tegen hem. ‘Dus jij moet mij niet? Nou, dan hoef ik jou ook niet, arrogante kwal!’
Terwijl die meneer misschien alleen maar een verkooppraatje kwam houden over een Cup-a-Soupautomaat. Ja ja, soep met ballen.